Foto: Bart van Overbeeke
Op 17 oktober werd de overzichtstentoonstelling feestelijk geopend. Arjen Oosterman (hoofdredacteur Volume / Archis) sprak hierbij de volgende woorden:
“Dames en Heren,
In deze tijden van Amerikaanse aansprakelijkheidsclausules moet ik beginnen met een disclaimer en een waarschuwing. Disclaimer: Martien Jansen's werk en werkwijze zijn niet zonder beperkingen, maar hier en nu wil ik de nadruk leggen op de mogelijkheden. Tweede waarschuwing: We spreken over werk dat niet wil spreken. Laat dat gezegd zijn.
Als we het hier willen hebben over inspiratie en architectuur, kunnen we niet om de figuur van Geert Bekaert, oud-hoogleraar architectuurgeschiedenis en -theorie aan deze faculteit, heen. Met zijn invloed op de vorming van architecten hier heeft hij een stevige bijdrage geleverd aan het Nederlands postmodernisme in eerste aanleg. Een begrip dat hij propageerde was ‘het verlangen naar architectuur’. Te onderscheiden van ‘de wil tot architectuur’. Dat laatste beschouwde (en beschouwt hij zeker nog steeds) als blokkerend. Begin jaren negentig verduidelijkte hij dat in een recensie van een nu niet nader te noemen gebouw met een vergelijking ontleend aan de sexuologie: wie het hoogtepunt in de vorm van het orgasme te nadrukkelijk nastreeft, bereikt het niet. Bekaert verbindt ons beider biografieën: als architectuurhistoricus ben ik beïnvloed door zijn werk en als redacteur heb ik onder Geert ‘gediend’ (bij Archis); Martien heeft Bekaert tijdens zijn opleiding meegemaakt, wat een betekenisvolle ervaring is geweest en nadien heeft Martien hem diverse keren bij zijn werk betrokken.
Van dat laatste is de groepstentoonstelling in de Fabriek in Eindhoven - met Bert Dirrix, Jo Coenen en de twee-eiïge eenling Frank en Paul Wintermans - een mooi voorbeeld. De jongens - want jongens waren het, aardige jongens zonder twijfel - zetten fragmenten van hun ontwerpen schaal 1:2 en uitgevoerd in karton in de lege fabriekshal. Het leverde een gelaagde en binnen de Nederlandse context vervreemdende, misschien zelfs verontrustende ervaring op. Een van die (mogelijke) lagen was het thema dood. Dat thema was door Nederlandse architecten tot dan toe nooit anders begrepen dan als praktische opgave: een begraafplaats, een crematorium. Dat heeft op zich mooie realisaties opgeleverd. Maar een intellectueel betoog over architectuur, een betoog over fundamentele kwesties als leven, dood, hoop en verlangen heeft er nooit ingezeten. Ook nu blinkt de Nederlandse architectuur uit in een extreem doorgevoerd pragmatisme en een radicaliteit in feitelijkheid. Filosofie heeft slechts een korte periode het architectuurdebat in Nederland gevoed.
Die interesse wist Geert wel te wekken. Nu betwijfel ik of de Angry Young Men van 1985 zelf volledig gearticuleerd waren in wat hun installatie bedoelde te zijn en beoogde te weeg te brengen. Maar daarvoor hadden ze gelukkig Geert, die in een prachtige tekst het ambitieuze tasten van het vijftal op het niveau van architectuurtheorie en architectuurkritiek wist te brengen. Dat is evenzeer de verdienste van Geert als van die groep die hem uitnodigde. Een goed architect weet van veel niet al te veel, maar net genoeg om te kunnen inschatten of je er meer van moet weten om met goed gevolg tot resultaat te komen. Vervolgens is het de kunst de juiste mensen aan je project te verbinden.
Waarom sta ik zo lang stil bij deze eerste publieke manifestatie van de jonge Martien Jansen? Omdat het op dat moment en op basis van die tentoonstelling nog alle kanten had opgekund. Het verlangen naar architectuur had gemakkelijk het postmoderne pad kunnen nemen van de vertelling, de herkenbaarheid en het afbeelden van cultuurhistorische fragmenten in het project. Dat leek in eerste instantie ook wel het geval met expliciete verwijzingen naar het werk van iconen als James Stirling en Ludwig Mies van der Rohe. De letterlijkheid waarmee die invloeden in het afstudeerwerk en eerste ontwerpen terecht kwamen, transformeerde gaandeweg in het inzetten van hun principes in de zoektocht naar de juiste vorm, de juiste ruimtelijke opzet en de juiste behandeling van het programma. Langs die weg kwam de eigenheid en eigenzinnigheid van Martien Jansens eigen werk aan de oppervlakte.
De uitbreiding van een woonhuis met een praktijkruimte (Psychologisch Adviesbureau Schuitemaker, 1977) laat zich nog lezen als een oefening in de omgang met typische Aldo van Eyck thema's als de ontmoeting van cirkel en vierkant en het ruimte maken door te definiëren en te omsluiten, en tegelijk te openen naar andere ruimten en de wereld daar omheen. Maar na deze kortstondige flirt met Aldo's specifieke opvatting van humanisme nam al gauw een puristisch rationalisme de overhand. Streng, strak, consequent, doordacht en immer bedacht op het centraal stellen van gebruik en gebruiker, zonder op de hurken te gaan zitten.
Een technische opgave is een technische opgave en die vermommen we niet. Anders gezegd: Martien's werk drukt al vroeg een groot vertrouwen in de poëtische kracht van (schijnbare) eenvoud uit en de overtuiging dat het bieden van een omgeving voor leven en activiteit niet moet uitmonden in het voorschrijven welk leven en welke activiteit dat zou moeten zijn. Een zekere neutraliteit in combinatie met een grote, ik mag wel zeggen obsessieve aandacht voor precisie. Die gaat misschien niet zo ver als de mythische nachtmerries van oud-rijksbouwmeester Wim Quist over de tegelpatronen in de wc's van zijn museumuitbreiding in Otterlo, maar ver gaat het wel.
Laten we naar het moment van nu gaan. Een architect is jong tot zijn vijfendertigste, in sommige contexten tot zijn veertigste. Maar je moet toch wel vijftig worden in het vak om een beetje te weten waar je het over hebt. Het hoeft niet te verbazen dat in deze tentoonstelling op zich prachtig werk te vinden is, maar dat pas met de Almeerse TBS kliniek de volle potentie en kracht van de aanpak tot zijn recht komt. Een vroeg werk als de inrichting van Museum Boerhaave is een briljant project, dat terecht veel aandacht kreeg, maar het beweegt zich niet op het omvattende en gelaagde niveau dat bij de TBS kliniek aan de orde is. Daarbij is die laatste niet alleen te lezen als synthese van eerdere ervaringen, het project stelt ook zelf aan de orde. In die zin is het een kritisch werk. Het project berust niet in het optimaliseren van gegeven condities en voorwaarden, maar bevecht een actieve rol voor de architectuur. Misschien dat hierin dan toch de invloed van Aldo van Eyck naspeurbaar is, ik weet het niet. Ik weet wel dat de vraag omtrent de menselijkheid van de gevangenis, de vraag naar het maatschappelijke er van ook, hier op een heel krachtige wijze aan de orde wordt gesteld en van een antwoord wordt voorzien.
Beste Martien, Als een architect talent heeft, wordt hij uitgenodigd om te ‘spreken’, zijn licht te laten schijnen over kwesties, situaties, opgaven. Vooral in de vorm van ontwerpen en gebouwen, maar toch ook vaak in de vorm van verhalen en adviezen. Je wordt, kortom, gevraagd om iets te doen. Maar op een zeker moment word je uitgenodigd te vertellen wat je gedaan hebt. Dat is een merkwaardig moment in een carrière. Alsof je waarde primair in het voltooide en niet primair in je vermogen tot transformatie ligt. Te meer omdat dit moment niet zelden samenvalt met het eerder genoemde moment waarop je als architect ten volle weet wat je wilt zeggen en hoe dat je dat kunt doen. Laat ik daarom eindigen met de oproep deze oefening in zelfreflectie - de tentoonstelling hier bij de TU Eindhoven en het boek over de TBS kliniek - als opmaat te beschouwen voor een volgende reeks werken waarin schoonheid, gelaagdheid en leven in balans zijn gebracht.”