Na aankoop van een geschikt terrein voor het nieuwe Groeps- en Rayonbureau van de Rijkspolitie werd het programma aanzienlijk uitgebreid met een binnenschietbaan en bijbehorende voorzieningen. Belangrijk uitgangspunt in het ontwerp is geweest om het voor deze locatie zware programma van eisen in samenhang te brengen met de elementen die de stedelijke structuur bepalen.
Enerzijds is gestreefd naar een zich onafhankelijk opstellend gebouw, aansluiting zoekend bij de reeks vrijstaande gebouwen; anderzijds naar een duidelijke markering van het terrein met in de ommuring opgenomen bijgebouwen om het private karakter van de aangrenzende tuinen van de woningen te waarborgen. Om ook de gewenste binnenhof te kunnen realiseren bleek het noodzakelijk de schietbaan in de kelder op te nemen.
De enige opvallende karakteristiek van het terrein, namelijk dat het is gelegen in de holte van de Molenweg en op de hoek van de Seringenstraat, is in grote mate bepalend geweest voor de ontwikkeling van het hoofdgebouw. De beide koppen van het hoofdgebouw zijn in het oog springend en hebben in de uitwerking geleid tot een verbijzondering t.o.v. het neutrale front aan de Molenweg. De hierin gelegen functies, publieks- en personeelsingang, versterken deze aanpak.
Het hoofdgebouw kent een tweedeling met in de voorbouw aan de Molenweg de kantoorfuncties en in de achterbouw de afwijkende functies zoals het cellencomplex, theorielokaal en kantine. De corridor hier tussenin werkt met zijn voortzetting langs de voorbouw als een ruggengraat voor het complex: omvattend, steeds herkenbaar en zorgdragend voor herkenning van plek en relatie.
Kenmerkend voor het gebouw is repetitie en contrastwerking; die ontstaat door het geheel op te bouwen uit herkenbare onderdelen, die steeds over een zekere vorm van zelfstandigheid beschikken. De materialen worden daarbij in deze toepassingen in hun nobelheid getoond.









