Het masterplan biedt een stedebouwkundige onderlegger voor de nieuwbouwplannen van de Landbouwuniversiteit Wageningen (LUW) voor de vakgroepen van het cluster Landgebruik. Het gaat om een programma van meer dan 40.000 m2, te realiseren rondom het bestaande complex van gebouwen aan het Nieuwe Kanaal, de Nieuwlanden geheten. Voor het masterplan kan worden voortgebouwd op het structuurplan voor het terrein Kortenoord, waar ‘de Nieuwlanden’ deel van uit maakt en dat eerder werd ontwikkeld door bureau B+B.
Door clustering en fusie van vakgroepen, primair op basis van discipline en inhoudelijke verwantschap, werkt de universiteit aan de profilering van de instelling als geheel en van haar kennisgebieden en expertises. Het terrein Kortenoord krijgt in bovengenoemde visie een belangrijke rol toebedeeld als één van de concentratiegebieden.
De gewenste eenheid vraagt niet alleen om het samenbrengen van gerelateerde vakgroepen, maar ook om gebouwstructuren die alle mogelijke onderlinge contacten stimuleren. Ook mag het streven naar eenheid niet ten koste gaan van de identificatie van afzonderlijke vakgroepen met hun behuizing. Tenslotte moet er rekening worden gehouden met de dynamiek van onderwijs en onderzoek die tot voortdurende aanpassingen en veranderingen in het gebruik leidt. Vanwege deze ‘zekerheid van de onzekerheid’ geniet flexibiliteit en standaardisatie grote voorkeur voor zowel het masterplan als de gebouwen, constructies en installaties. Dat heeft ook betrekking op de mogelijkheden voor fasering en uitbreiding.
Slechts het bestaande gebouwencomplex de Nieuwlanden met de daarbij behorende traforuimte en het gasreduceerstation wordt in het structuurplan gehandhaafd. De overige gebouwen komen te vervallen.
Voor een goede indeling en ontsluiting wordt het plangebied de Nieuwlanden in drieën gedeeld door twee noord-zuid wegen.
Er is gekozen voor een continue bouwstructuur van het lineaire type. Dit model heeft het voordeel van extreme eenvoud en flexibiliteit en is het meest passend bij een principe van 'open planning'. De behoefte aan zeer goede interne contacten tussen de verschillende programma onderdelen heeft geleid tot een systeem van luchtbruggen en overbouwingen, dat alle elementen van beide clusters op het niveau van de eerste verdieping van het bestaande gebouwencomplex, het 'hoofdniveau', tot een samenhangende eenheid maakt. Er ontstaat één doorgaand voetgangersniveau binnen en tussen alle gebouwen op ca. 4.80 m boven het terreinniveau, wat het mogelijk maakt tegemoet te komen aan de wens om alle gebouwen direct bereikbaar te maken voor diverse vormen van verkeer, incl. expeditie met vrachtwagens.
De infrastructuur van wegen en verbindingen krijgt als complement een systeem van leidingen voor riolering, gas, elektriciteit, water, verwarming, telefoon, televisie en data.
Een centraal verzamelgebouw, waarin de gemeenschappelijke en algemene voorzieningen zijn ondergebracht, vormt de ruggengraat van het gebouwencomplex. Zeven specifieke gebouwen zijn haaks op dit langgerekte hoofdgebouw aangesloten. De gebouwen van de verschillende vakgroepen worden zo door het hoofdgebouw, als ware het een accolade, met elkaar verbonden. Er is sprake van een functionele binding, maar tegelijkertijd een zekere vrijheid voor de uitwerking van de zeven satellietgebouwen.









